back ?

Meaning of words

Wittgenstein

Contrastwords

In addition to Revised Edition

Published by Eef Veldkamp on 14th of June 2017 as a lecture

 

Published by Eef Veldkamp on 25th of May 2017

 

Column in Dutch

White noise

Football

Sound

Thinking

Published by 2116 on 14th of December 2016

URL: https://www.2116.eu/longread/eef-veldkamp/verlies-hofnar-2/

Longread in Dutch

Politics

Madness

Jester

Enlightenment

Foucault & Kant

 

Published by 2116 on 14th of December 2016

URL: https://www.2116.eu/longread/eef-veldkamp/het-verlies-van-de-hofnar//

Longread in Dutch

Politics

Madness

Jester

Enlightenment

Foucault & Kant

 

Stanczyk, een beroemde Poolse hofnar uit 1480, geschilderd door Jan Matejko in 1862, onderdeel van de collectie van het Nationaal Museum Warschau.

Published by Studio Beumer in July 2016

URL: https://soundcloud.com/studiobeumer

Interview in Dutch

(the perfect) City

Thomas More

Descartes

 

Published by 2116 on 21th of April 2016

URL: https://www.2116.eu/essay/eef-veldkamp/gesublimeerde-slimheid/

Essay in Dutch

Macht

Empathie

Maslow

Erkenning

Behoeftes

Op zoek naar een reden

Voorbij het dierlijke

Published by 2116 on 23th of Februaril 2016

URL: https://www.2116.eu/opinie/eef-veldkamp/welkom-in-de-grotemensenwereld/

Essay in Dutch

Macht

Autoriteit

Leiderschap

Verantwoordelijkheid

Published by ArtEZ Arnhem in june 2015

Translated from Dutch to English

Responsibility

Artistic Statement

About Me

On identity

Forming Identity is a necessity regarding positioning ourselves in the world. Nevertheless, identity is no fixed thing, there’s no part in yourself about which you can say ‘this is my identity’. Therefore, identity is dynamic and flexible thing. In principle, it’s a necessary fiction with which we define our own being in relation to other people. And even this fictional label is not as authentic as we often think. For example, the phenomenon on which we base our labels, our own history, is just as ungraspable to ourselves as those of the people around us. I, for an instance, have always told that I was born 9 weeks to early. In a conversation which I had lately with my parents, the guardians of my history, they told me that I was born 8 and a half week to early. The difference is very small, but identity is all about the details. In this sense, I have always told a fictional story about my own history. Which clearly isn’t that clear even to myself. Therefore, I would say that the identity which I call ‘I’, only exists in relation to the other and myself.

 

Evident is that identity is quite a difficult thing to work with. Especially because the other plays a fundamental part in forming your own identity – and the other does this unauthorized, if you like it or not. Polemically said, the other also plays a big part by thinking things about you on which you don’t agree (just as you do with others). Identity can thus as well be very alienating. To summarise I would say Identity is an non-moral battle, where nobody can be the winner nor loser. It’s the battle-scars which make up your authentic identity.

 

Now regarding this work. There are more words which have the same status as the word identity. These words only have meaning in relation to the subject of a sentence, not on their own. In the Western metaphysical tradition, would philosopher Wittgenstein say, we’ve deleted the subject to which words like identity refer. We secularized these words and started regarding them on their own. The risk of this tradition is that a perfect world of ideas is created which is behind our world where words as Thé Identity and Thé Black and White exist. Our reality would just be a lousy, fake, version of the ideal world. I would therefore advocate identity to be a game in the real word, the praxis. The world in which we do thing with each other. Thé identity does not exist.

 

So Identity is fluid and ever changing. In fact, we are different than everyone and even a little different than ourselves. There’s no moment where identities are the same. Therefore, identity can celebrate the pluriform character of life.

 Nevertheless, identity is often used in a very different way, for example in discrimination where words as black and white are used. In our project, ‘Revised Edition’, we tried to undo the symbol of national identity of its polemical words. The words which we have removed are ‘black’ and ‘white’. These are, yet again, word which are used to describe something that does not exist. The real ‘black’ just as the real ‘white’ do not exist. Nobody is black nor white. Explicitly the space in between of these contrast-words is where reality can be found. By cutting out the colours black and white out of the flags something else becomes important again, which accept chaotic and pluriform essence of our world. The empty space is filled with air, the ‘nothingness’. It literally opens space for forming the identity you want.

'White noise' van het denken

Een stad produceert allerlei geluiden. Geluiden die per seizoen, straat en moment verschillen. Het geluid van een sirene, van verschillende soorten sirenes, verraad dat er meer aan de hand is dan een brand. Zo ook bij feest. Ieder soort feest brengt zijn eigen geluid voort en die geluiden verraden soms meer en soms minder over de gegeven situatie. Ik woon in Arnhem, aan de Hommelstraat. Een drukke straat waar naast veel verkeer ook veel feestpubliek passeert. Onlangs vond er iets unieks plaats. Een nieuw feestpubliek dat Arnhem nog nooit eerder had gehoord. Met hen kwam een nieuw geluid wat ik niet direct kon plaatsen. Je bouwt namelijk op den duur een soort geluids-catalogus op waardoor kijken overbodig wordt – net zoals je kunt weten dat je buren ruzie hebben zonder dat je hoeft te gaan kijken of het ook echt zo is. Dit geluid was nog onbekend in mijn catalogus. De laatjes van mijn geheugen schuurden en kraakten in de zoektocht naar de betekenis van het nieuwe geluid.

 

 Vitesse won deze dag voor het eerst in haar 125 jarige bestaan een prijs. Dit was voor de Vitesse supporters de eerste echte mogelijkheid om het lichaam van hun club te dopen in de stad. Overal feest. Maar ander feest dan ik gewend ben. Vanuit mijn appartement op de derde verdieping daagde mijn nieuwsgierigheid me uit om te gaan kijken wat de productie van een heel specifiek geluid teweegbracht. Zwart-geel, overal. Fonetisch gezien, is het geluid het beste te noteren als ‘eeuuhhh’ – je weet wel, dat geluid dat voetbalsupporters maken. Plotseling was er een nieuwe categorie aangemaakt in mijn brein. Een nieuw laatje bij getimmerd door de klusjesman in mijn hoofd. Bij het inspecteren van het nieuwe laatje realiseerde ik mij plotseling, dat dit geluid echter helemaal niet zo onbekend is. Het vindt veel vaker plaats, maar in hele andere context. De geluiden die ik als verschillende ‘sirenes’ onderscheidde werkten allemaal naar hetzelfde doel toe – ze impliceerden allemaal hetzelfde alleen op een andere manier.

 

 Ik realiseerde me plots dat ik datzelfde geluid ook weleens maak, iedereen maakt het geluid weleens – meestal vaker dan we willen. Ik realiseerde me dat in mijn zoektocht naar de categorie van het geluid, ik het geluid zelf maakte. Het is namelijk exact hetzelfde geluid dat je maakt als je het even niet weet, als je denken even leeg is. Alsof je eventjes op het denken moet wachten dat te laat is. ‘Eeeuuhhh’ zeggen we dan. Dus als het even leeg is in je hoofd, dan brengt het een geluid voort van deze categorie. Net zoals wanneer je audio opneemt, en wanneer het eigenlijk even helemaal stil – leeg – is, dan is er nog steeds een ruis te horen is. Dit noemt de audiofiel ‘white noise’. Het geluid dat je hoort als je niets hoort. En sterker, als dit geluid er niet is, als het van het bestand afgeknipt wordt, dan klinkt het onnatuurlijk en gek.

Het Hof (Deel 2 v.d. 2)

Het hof heeft door de tijd heen veel vormen gekend. In de middeleeuwen bestond het voornamelijk uit de monarch; een koning of koningin. Deze koning of koningin zocht zijn bemiddeling bij een kleine groep vertrouwelingen, waaronder de hofnar. Het grootste deel van de zogenaamde hofraad maakte tevens deel uit van de familie van de monarch zelf en zij hadden bovendien vaak veel land. Eigendom maakte machtig, land was nodig voor voedsel en definieerde ook de hoeveelheid belastinggeld die er binnenkwam. Dit maakte vervolgens oorlogen mogelijk, die monarchen in die tijd maar al te graag voerden. Over het algemeen kun je stellen dat door de tijd heen die groep met bemiddelaars alleen maar is uitgebreid. Een van de belangrijkste aspecten voor een functionerende autocratie is bovendien het hebben van een zo klein mogelijke groep bemiddelaars of belanghebbenden. Door middel van pressie van het volk, dat zichzelf ongehoord voelde, zoals revoluties, opstanden maar ook door externe invasies is die groep door de tijd heen echter exponentieel gegroeid. Daarnaast is er ook volksvertegenwoordiging geëist. De grote macht die een kleine groep ooit had is daarmee verspreid over een grotere groep waardoor het voor een enkeling veel moeilijker is geworden om de macht te grijpen.

 

Het hof van vandaag de dag zou je best goed kunnen symboliseren aan de hand van de tweede kamer. In dit ‘hof’ bestaat de ‘hofraad’ uit een relatief grote groep ‘edelen’ (150 in totaal) die onderdeel zijn van een aantal ‘families’ waarvan een deel hun loyaliteit aan een ‘koning’ heeft gezworen, en een deel dat juist zijn aanspraak op de troon ontkent. Al deze edelen vertegenwoordigen een stukje land, een groepje mensen. Op dit toneel doen zich bijna dagelijks belangrijke problemen voor, er moet bovendien een land geregeerd worden waar ontzettend veel verschillende belangen spelen. Voornamelijk wanneer veel belangen worden vertegenwoordigd, wordt besturen moeilijker (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de autocratie). Kooplieden doen hun verhaal en beïnvloeden de keuzes van de edelen. Landsgrenzen spelen een grote rol bij allianties en hier en daar wordt er iemand ‘uitgehuwd’ aan een andere edele en ontstaan nieuwe families. Een cruciaal onderdeel dat op dit toneel centraal staat is dat de belangen van het ‘volk’ leidend zijn. Dat is een prachtige legitimering voor wat we best wel kunnen beschouwen als ‘gekke’ situaties, maar die komen niet voort uit de hofnar, die is er namelijk niet meer, gekke kapsels voldoen niet. In tegenstelling tot vroeger, waarbij macht en rijkdom een van de belangrijkste motieven waren voor de ‘wil tot macht’ zou dit volk vertegenwoordigende aspect een cruciale verandering moeten zijn. Het is daarom belangrijk om een onderscheid te maken tussen motieven die leidend zijn in beleidsvorming, en de rollen van de actoren die daaraan bijdragen.

 

In dit hof dicteert de rationaliteit en wie met feiten komt heeft absoluut de grootste kans op zegens; de vraag is dan natuurlijk wat er bedoeld wordt met deze ‘feiten’. Het is naïef om te stellen dat feiten in de politiek niet politiek gekleurd zijn. Toch lopen er een aantal ‘edelen’ rond die de gekste voorstellen doen, met de gekste gedachtes in het rond slingeren en ronduit idiote dingen stellen (vaak pas bij nader inzien). Soms doen ze dit zo goed dat feit en fictie bijna niet te onderscheiden zijn: het worden werkelijke ficties. Zouden deze ‘gekke edelen’ dan de hofnarren van nu zijn? We moeten niet vergeten dat de hofnar van vroeger niet van edele afkomst was en bovendien nooit aanspraak zou kunnen maken op een positie in de hofraad, laat staan op de troon – dit is een groot verschil met edelen die zich gedragen als een hofnar. Omdat de hofnar, als we de traditie volgen, nooit op zo’n positie terecht zou kunnen komen en deze dus noodzakelijkerwijs niet kán bereiken. Daarom moet hij of zij zijn motivatie om af en toe scherp en kritisch te zijn ergens anders vandaan halen: de ethiek? Het volk? Het algemeen welzijn? Een situatie waarin je zonder belangen die jezelf betreffen toch meespeelt in het politieke toneel, plus de subversiviteit die de hofnar typeert zouden tegenwoordig kunnen resulteren in hele interessante situaties en daarnaast zou het de belangen van de andere ‘edelen’ heel snel ontbloten. Stel dus dat ik bijvoorbeeld niet ‘geholpen’ was met therapie, en mijn oude ‘andere’ denkwijzen nog meer evident zouden zijn: zou deze visie, deze manier van denken, dan niet een goed tegenwicht kunnen bieden aan de polemiek van de politiek? En zou dit ook voor de politici een manier kunnen zijn om hun eigen dogma’s te herzien? Stel je voor.

 

...Ondanks dat gelach beschouwd wordt als een triviaal iets en de emotie vaak verwekt wordt door een hansworst, acteur of gek, heeft het toch een zekere heerszuchtige kracht die op zichzelf heel moeilijk te weerstaan is…Het keert vaak het tij bij zaken van groot belang.

Quintilian, Institutio Oratoria, boek zes

 

Voordat dit tot stand zou kunnen komen is het belangrijk dat we in staat zijn om de ware gek te onderscheiden van een edele die gek speelt. Allereerst kan dat door als een archeoloog te onderzoeken waar de belangen liggen van deze schijngek. Wat is iemand’s afkomst? Op welke manier, en vooral waarom, is hij of zij terecht gekomen in het hof? Om welke redenen is hij of zij onderdeel van de hofraad? Ik vraag me af of hedendaagse politici weleens gevraagd wordt waarom zij de politiek in zijn gegaan. Niemand gaat zomaar de politiek in: het is per definitie gegrond op het hebben van een ‘metafysisch’ idee van goed of kwaad, los van alle actualiteiten die ons om de oren razen. Belangen, agenda’s en voornamelijk doelen spelen een fundamentele rol in de vorm die gekozen of gebruikt wordt om politiek te bedrijven. Daarop is aan te merken dat edelen die gebruik maken van de bijna populistische ‘gekte’ om een doel(macht) te bereiken, een fundamenteel andere rol hebben dan de hofnar die zonder een wil naar macht ín het hof, toch zijn functie heeft. In het geval van de edele heiligt het doel de middelen. De hofnar zou eerder te scharen zijn onder een meer Kantiaanse plichtethiek: de ethische regel die je hanteert definieert wat goed is, het gaat hier niet direct om daden en gevolgen en al helemaal niet om (eigen) belangen en agenda. Kant stelt dat een goede toets of iets goed of slecht is de vraag os of je een eigen regel algemeen geldend zou kunnen maken. Dit lijkt echter tegenstrijdig omdat we al eerder zagen dat juist het denken van verlichtingsfilosofen als Kant de hofnar heeft verbannen.

 

Desalniettemin is het een heel nobel motief om je verantwoordelijk te voelen voor de welvaart en welzijn van het volk – zelfs voor een schijngek – dat is bovendien per definiete een van de kernbegrippen van ons politieke stelsel. Stel dat ieder lid van de hofraad met dit beginsel de politiek is ingestapt, hoe komt het dan dat alle anderen die anders denken, maar toch vanuit hetzelfde principe denken, uit de weg moeten worden geruimd (vroeger letterlijk, nu figuurlijk) om te zorgen dat de protagonist zelf op de troon beland? De vraag is dan natuurlijk of het wel zo is dat iedereen die de politiek ingaat zich met dit democratische beginsel vereenzelvigt? Of het is iemand die bereid is zijn eigen normen en waarden te plaatsen boven die van anderen. Nietzsche, een Duitse filosoof uit de negentiende eeuw, beweerde dat alles in dit universum gedreven wordt door de 'wil naar macht'. Dit klinkt al snel als een soort dictator-virus, maar Nietzsche benadert het meer als een soort levensenergie die in werkelijk alles in onze wereld zit; de constant voortdurende zoektocht naar een plekje voor jezelf in dit universum. Zoals in een bos in de lente honderden mogelijke toekomstige eikenbomen opkomen en zij met elkaar moeten ‘strijden’ voor een plekje met het meeste licht. De zaailingen die verliezen zijn gedoemd in de schaduw van de grote winnaars te staan of om te sterven door een gebrek aan voedingsstoffen. Hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, het plaatst alles en iedereen in een hiërarchie die altijd fluïde zou moeten zijn; iedereen heeft een kans op een plekje. Toch belandt het ene zaadje op een betere plek dan de ander en krijgt het daarmee ook een voorsprong of een achterstand. Nietzsche geeft aan dat de werkelijkheid nooit stopt met 'worden' of 'gebeuren'. Elke levenskracht wil zich, aldus Nietzsche, zo versterken dat andere krachten zich moeten onderwerpen. De consequentie van dit principe, wat tevens perfect in lijn staat met de secularisering van de ‘anderen’ die Foucault benoemt, is iets wat we een meritocratie kunnen noemen. Dit is een hypothetische samenlevingsvorm waarin iedereen absoluut ‘gelijk’ is en dezelfde kansen heeft, of zou moeten hebben: alles wat er gebeurt in je leven, alles wat je bent, is daarmee een gevolg van jezelf. Ben je arm? Niet hard genoeg gewerkt. Ben je gek? Dan ken je je plaats niet. Deze wil naar macht, die onlosmakelijk verbonden is aan onze natuur, determineert de opties en bewegingsruimte die we op systematisch niveau als mens kennen. Het is nou eenmaal zo dat ‘sommigen’ in positie anders zijn dan anderen, als een eikel die toevallig op een bepaalde plek valt. Maar dat we anderen ‘nou eenmaal’ in een andere positie plaatsen (als een aangeplant bos) is een keuze, en niet een gegeven. De reden dat ze daardoor benadeeld zouden zijn ligt niet, absoluut niet, in henzelf, maar in de positie die hen wordt toegekend in het systeem, door het hof. Mijn autisme is toevallig, ik heb er niet voor gekozen. Dat ik door het erkennen van dat feit in een positie wordt geplaats is een keuze die voor mij wordt gemaakt, en ik word daarnaar behandeld.

 

'Gekte is de verkeerde straf voor een verkeerde oplossing, maar het brengt door zijn eigen deugt het echte probleem aan het licht, welke echt opgelost kan worden.'

Michel Foucault, Madness and Civilization: A History of Insanity

in the Age of Reason, 1964

 

Zo kent ieder hof zijn eigen 'wil naar macht', zoals dat voor bomen zonlicht is. Voor politici is dat onderdeel zijn van een kabinet, of zelfs minister-president worden. Voor de gek in ons is het bevrijd willen worden uit het ‘gekkenhuis’. Voor de cabaretier is het grappig gevonden willen worden. Foucault definieert nog een ander gevolg van de rationalisering van onze samenleving, een gevolg dat meer dan logisch is bij secularisering, namelijk dat alle maatschappelijke en wetenschappelijke niches discours op zichzelf worden, waarin ieder een eigen specialisme heeft. De hersenchirurg kan niet bevraagd worden door de kaakchirurg, terwijl deze stukjes van het menselijk lichaam niet meer dan vijftien centimeter van elkaar af liggen. En toch zijn ze zo anders. Alles verdient zo een plekje in de boekenkast van het leven, alleen is het grote risico aldus Foucault, dat de verschillende discours elkaar niet meer kunnen bevragen. De gek zit in het gekkenhuis, zijn of haar discours, en is daar heer en meester, maar in de politiek heeft hij of zij absoluut geen inspraak meer. Hetzelfde kun je zeggen over de cabaretier, zij kunnen de meest absurde, subversieve en soms meer dan redelijke dingen zeggen, maar uitsluitend omdat het podium dat hen gegeven is geldt als vrijplaats, waarbinnen alles mag en het daardoor in principe daar buiten niks betekent. Wat een cabaretier veel gelach oplevert in het theater biedt hem op straat een pak slaag.

 

Wil naar macht gaat dus om het streven naar een plek, niet over de manier waarop we iets positie bieden in het geheel, als een soort boekenkast: in dat geval heb je het meer over het aanleggen van bossen. En we zien hoe dat gaat, net zo structureel en gedetermineerd als de inrichting van de samenleving na de verlichting. Maar wat nou als we wat meer ruimte zouden overlaten, iets meer viering zouden geven, en mensen lieten streven naar hun eigen plek in het geheel? Zou je dan betwijfelen dat het bos dat ontstaat van mindere kwaliteit is als een aangeplante bos? Of zou dat bos misschien wel mooier, beter en meer divers zijn? Zou de natuurlijke val van de ene boom in dat geval niet meer voedingsbodem bieden aan de andere boom en veel andere en nieuwe organismen, dan wanneer we deze boom simpelweg weghalen? Zou een bos niet veel sterker staan als het zijn eigen biotoop kan ontwikkelen dan wanneer wij dat stelselmatig zelf in de hand zouden willen houden?

 

Kortom, zou ons politieke leven niet veel meer divers zijn, als we wat meer viering zouden geven aan de posities die we mensen toekennen? Als we de schijnbaar en daarmee noodzakelijk functieloze participant een positie bieden in het politieke debat? Laten we een eerste stap zetten in deze richting, laten we de hofnar zijn plek in het politieke bos teruggeven!

Het Verlies van de Hofnar (Deel 1 v.d. 2)

Op het gebied van vrijheid leven we in de meest vrije tijd die we als westerse mens waarschijnlijk ooit hebben gekend. We mogen bijna overal gaan en staan, we mogen bijna alles zeggen en we mogen bovendien ook denken wat we willen. In de middeleeuwen moest je het niet wagen om je meerdere te bevragen, of daar überhaupt verdacht van te worden, dan was de kans meer dan groot dat je jouw hoofd verloor. En dat gebeurde bij mensen die ze respecteerden, minder gelukkigen werden opgehangen of gevierendeeld (een touw aan elk van je ledematen, met aan het andere eind van het touw een paard dat hard op z’n billen werd geslagen). Zelfs als lid van de adel werd het niet getolereerd om je kritisch te uiten over de koning of koningin. Deze tijd werd gekenmerkt door het hoogtij van de hiërarchie waarin de machthebbers écht almachtig waren en het rationeel denken nog onder moest doen aan diezelfde macht.

Dit staat recht tegenover elk principe van onze tijd: de koning is een van de meest bespotte mannen van ons land. Bovendien is het inmiddels een recht dat je je mag uiten, over zo goed als alles wat wils. Degene met het grootste en meest ‘rechtvaardige’ rationele vermogen heeft net zo veel kans ‘almachtig’ te worden als degene waarbij dat recht ooit aangeboren was. Vanuit het nu teruggekeken kan ik me goed voorstellen dat die onbespreekbare positie van de almachtige vorst voor hem of haar zelf ook niet altijd even makkelijk moet zijn geweest. Ongeacht de inhoudelijke waarde van iemands uitspraak werd er van je als koning(in) geacht dat je diegene zou veroordelen, a la ‘de koning(in) spreek je niet tegen, noch wijs je hem of haar de les’ – en dat uitsluitend vanwege zijn of haar sociale klasse en status. Toch hadden de vorsten van die tijd daar een slimme ‘troefkaart’ voor bedacht, een oplossing die wij in ons sociale en politieke leven volledig missen: de hofnar.

 

‘… de koning waardeerde hem zo dat hij niks deed zonder eerst om Archy’s advies te vragen. Hij kon nauwelijks een grotere macht hebben, zelfs als hij regent van het koninkrijk zou zijn benoemd.’

Auteur onbekend, The Ass Race: or the secret history of Archy

Armstrong, fool to king Charles I (1740)

 

Dan denk je misschien, een hofnar? Kunstjes? Verhalen? Zingen? De clown uithangen? Dat klopt enerzijds wel. Anderzijds was het voornamelijk de positie van de hofnar die erg bijzonder was. Zo was het in de middeleeuwen, in bijna de gehele wereld, erg populair om een nar in je hof te hebben. Niet louter voor entertainment maar vooral voor kritische reflectie, uiteraard met een knipoog. Een taak die niemand anders dan de hofnar mocht verrichten zonder dat hij of zij, nogmaals, het risico liep zijn of haar hoofd te verliezen. Toen in 1340 de Franse vloot fenomenaal werd verslagen door de Engelsen, durfde niemand de koning op de hoogte te brengen van zijn nederlaag. Behalve, de hofnar! Hij ging naar de troonzaal en vertelde de koning dat de Engelse zeevaarders: “niet eens het lef hadden om het water in te springen zoals onze dappere Franse soldaten!”

 

‘Het grote geheim van de succesvolle gek is natuurlijk dat hij helemaal geen gek ís.’

Isaac Asimov, Guide to Shakespeare (1970)

 

Grofweg werden er in deze tijd twee typen hofnarren geclassificeerd: de ‘normale’ gek en de hoog intelligente gek. Dit is nogal zwart-wit gezegd: meestal liepen deze twee namelijk feilloos in elkaar over. Daarnaast waren gekken in die tijd in twee posities te verdelen: positieloos (geen rechten), en gekken met een positie, zoals de hofnar. Deze bijzondere positie is te danken aan het feit dat in deze tijd de gek beschouwd werd als iemand die aangeraakt was door god. Dit zou hem of haar de bijzondere gave hebben gegeven om alles méér dan helder te zien. Tegenwoordig is de gek een heel oncomfortabel iemand om over te praten, laat staan om mee om te gaan. In de laatste decennia zijn meerdere termen voor de benaming van de gek in het leven geroepen en later weer van de tafel geveegd omdat ze beledigend zouden zijn. Wanneer er op deze manier gedacht wordt verkeerd de gek per definitie in een benadeelde positie; ‘ze’ krijgen de kans niet eens meer. Bovendien wordt er man en macht losgemaakt om ze te begeleiden in een geforceerde en onmogelijke ‘re’-integratie in onze (normatieve) samenleving. Dit staat in groot contrast met de positie van de gek in de middeleeuwen. De gek was noodzakelijk in het sociale, politieke stelsel en hij had zelfs een bevoordeelde positie: die van de hofnar. Zelfs de gek die geen positie had was onderdeel van het normale straatbeeld, en werd ook geaccepteerd als onderdeel van de samenleving. Natuurlijk kan ik niet zeggen hoe goed men het in die tijd had – vooral niet in relatie tot de positie van de gek in onze tijd. Maar je zou kunnen stellen dat leven aan het hof van een vorst in die tijd gelijk stond aan een levenslang verblijf in een vijfsterrenresort in onze tijd, vooral in contrast met de miserabele kwaliteit van het leven van de gemiddelde middeleeuwer: die bovendien het comfort van het hof mogelijk moest maken, vaak zelfs als veredelde slaven. Daarnaast speelt de noodzaak naar het leiden van een zinvol leven in iedereen een rol, ook voor de gek. Werd de gek gedwongen hofnar te worden of vriendelijk verzoekt? De vraag is dan alleen door wie wordt bepaald wat een zinvol leven is en voor wie dat leven dan zinvol moet zijn. Kortom, wat was het motief van de vorst om een hofnar in dienst te nemen, en had de hofnar hier zelf inspraak in? Werd de gek gedwongen om onderdeel uit te maken van het hof, of uitgenodigd, als een soort vacature?

 

‘We hebben allemaal weleens gezien hoe een toepasselijke en op het juiste ogenblik gemaakte grap zelfs de meest akelige tirannen kan beïnvloeden…De meest gewelddadige tirannen tolereren hun clowns en gekken, zelfs terwijl zij hen vaak het middelpunt van openlijke beledigingen maken.’

Desiderius Erasmus, Lof der Zotheid (1511)

 

Nu gebruik ik het woord ‘gek’ heel stellig, en is er een goede kans dat u inmiddels een levendig beeld ontwikkeld van een wilde man, dansend op een marmeren vloer. Hij loenst vast een beetje en zijn woorden zijn waarschijnlijk ook niet zo goed te verstaan. Het is makkelijker om een stereotype op te bouwen dan om er een af te bouwen, of in ieder geval aan te vullen. Laten we de ‘gek’ daarom definiëren. Allereerst is het goed om te noemen dat ondanks het opkomen en vergaan van verschillende psychische aandoeningen de gek in de middeleeuwen nog steeds dezelfde gek is als in onze tijd. Vooral de positie, behandeling en benaming van een gek is wat veranderd is, zoals ik al noemde bij de middeleeuwse definitie van de gek. Over het algemeen wordt er naar de gek gekeken als iemand die zich niet kan houden aan de sociale conventies van de tijd door een gemis, dan wel lichamelijk en/of geestelijk, aan het vermogen om zich te verhouden aan ‘onze’ norm. Kortom iemand die niet ‘normaal’ is. Dan zou je zeggen, in het hoogtij van het individualisme, dat ‘normaal’ zijn helemaal niet de norm is: iedereen is toch uniek? Dat is zeker waar, maar ‘normaal zijn’ en voldoen aan de ‘norm’ hebben niet per se dezelfde betekenis. ’Normaal’ is een subjectief begrip dat we in ‘volgens [in overeenstemming met] de regel’ formuleren. Iedereen geeft dus een eigen invulling aan wat hij of zij wel al dan niet normaal vindt binnen de kaders van de ‘norm’. Vaak verhoudt deze invulling zich aan de persoon zelf: hoe ík ben, dat is normaal. De ‘norm’ is een begrip dat is afgeleid van het Latijnse ‘norma’ wat 'maatstaf van de wettige toestand' betekent. Zoals het woord al impliceert, is het een geschreven of ongeschreven afspraak die wij met z’n allen door de tijd heen hebben geconstrueerd over hoe we met onszelf, elkaar en de wereld omgaan. De ‘norm’ heeft daarmee ook een auteur. Echter bestaat deze niet uit één persoon maar meer uit een soort katalyse van de mensen van die tijd en haar belangrijke figuren en dogma’s. Aan de hand van die norm formuleren wij onze eigen ideeën over het normale. Je zou dus kunnen zeggen dat het niet de schuld is van de gek dat hij of zij niet kan integreren in de samenleving, maar die van ons, de samenleving. Onze norm is zo rigide dat er geen marge meer is voor excentriciteit. Er is dus helemaal geen ruimte binnen onze norm voor die wilde man in onze fantasie (of diep in ons), met zijn gekke gekleurde kleding en belletjes aan zijn muts. Met rigide bedoel ik niet beperkt of te krap. In deze tijd kun je aan alles wel een label hangen en dat is op zichzelf niet erg. Sterker, vier het! Het zijn vooral de consequenties van dat label en de verwachtingen die mensen daar aan koppelen, kortom hoe rigide we met de norm omgaan, dat gevaarlijk kan zijn. Dat iemand het syndroom van Down heeft, is helemaal oké, maar behandelen we diegene als iemand met het syndroom van Down, dan ontstaat er een psychologische hiërarchie: waarin de mentale en fysieke capaciteiten van iemand ondergeschikt worden gemaakt aan de definitie van de norm.

 

Juist doordat deze ‘gek’, de hofnar, niet voldeed aan de norm, had hij of zij een blik die niemand anders had, een grensverleggende blik. Dan kun je je afvragen wat het verschil is tussen de hofnar van toen en de gemiddelde mens van nu; de hofnar was de enige die zich openlijk mocht uiten zonder dramatische consequenties en dat mag iedereen nu toch ook? Dus iedereen is dan toch een soort van hofnar? Toch had de hofnar nog iets anders, hij of zij had namelijk niet alleen het privilege om zich te mogen uiten maar voornamelijk om zich te uiten zonder zich te houden aan de norm van zijn tijd: zonder de etiqeutten, regels, omgangsvormen en sociale conventies in acht te hoeven nemen – en dat eigenlijk alleen om iedereen af en toe de waarheid te vertellen of alles op scherp te zetten. Wanneer de norm van onze tijd vrijheid van meningsuiting is, houden wij onszelf prima aan de norm. Bovendien wordt dat ook van ons verwacht. Er wordt van ons verwacht om over alles een mening te hebben. Hier kunnen de ‘vorsten’ van onze tijd prima op anticiperen: soms is er zelfs zo’n grote veelheid aan verschillende meningen dat het tot ‘tja, iedereen vindt toch wat anders’ wordt gereduceerd. Een relativistisch argument zet nooit aan tot ethische ontwikkeling: daarvoor is een vorm van dialectiek nodig. In dit geval is het juist de vorst die het hoogste woord kan (en mag) nemen. De hofnar had in tegenstelling tot alle andere mensen het privilege om te zeggen wat niemand wilde horen, maar wat toch gehoord moest worden: wat niemand zei maar wat iedereen ‘dacht’.

 

Toch heeft de gek zijn bijzonder hoge positie in het sociale en politieke leven verloren, ondanks zijn of haar vermogen om met een ‘abnormale’ blik meer dan de realiteit te zien. Het moment dat de hofnar zijn positie in het hof verloor en een nar werd was tijdens de verlichting, vanaf de 16e en voornamelijk rond de 17e eeuw. De tijd waarin het rationele denken onder denkers als Kant en Spinoza zijn keerpunt vond. De rede, die in het denken systematiek en eenheid aanbracht werd sinds toen voor het eerst in iedereen geaccepteerd en gepropageerd als voor iedereen toegankelijk. Dit sluit feilloos aan bij het verdwijnen van de gek in het sociale leven. Sterker nog, het rationalisme had nooit kunnen ontstaan zonder het afzonderen van de gek (secularisering); die dacht per slot van rekening niet systematisch en in eenheid, maar in subversiviteit en chaos. Hij bood het alternatief dat niemand anders durfde te opperen. Bovendien verloor de hofnar niet alleen zijn hof, maar werd hij sinds de verlichting ook afgezonderd en geïsoleerd in gekkenhuizen, vaak zelfs achter ‘tralies’.  Dat vond voor de verlichting nog niet plaats, de gek die geen hofnar was maakte gewoon deel uit van het dagelijkse straatbeeld: waarom zou je de gek überhaupt willen opsluiten? De Franse filosoof Michel Foucault, wie historisch onderzoek deed naar krankzinnigheid, benoemde dat het rationalisme nooit had kunnen ontstaan zonder de secularisering van de gek: “We zeggen altijd dat we anderen verwelkomd hebben, zelfs al hun afwijkingen en gekkigheden, toch ik vraag me af of dat geen een illusie is…om waanzin te kennen moest het namelijk eerst uitgesloten worden…”, [als een lab rat.] “…En niet alleen dat, we hebben ze veracht, uitgebuit en tot zwijgen gebracht, men bracht waanzin tot zwijgen en kende haar toen…” [en zo wordt er een norm geschapen.] “…Daarom is mijn hypothese dat de universaliteit van onze kennis is verkregen door middel van uitsluiting, verbod, weigering en verwerping, door middel van een stuk wreedheid ten opzichte van de werkelijkheid. Met andere woorden: de norm gaat dus helemaal niet over de werkelijkheid, maar om het afzonderen van wat wij niet vinden dat past in ons idee van de werkelijkheid.

 

Toch heeft het rationeel denken ons ook ontzettend veel gebracht. Het heeft structuur aangebracht in het denken en het mogelijk gemaakt dat wij, alle verschillende individuen, sommige dingen hetzelfde zien, bijvoorbeeld het idee van de ‘gek’. Zonder die ontwikkeling was een merendeel van de wetenschappen nooit tot bloei gekomen en was de hedendaagse democratie nooit mogelijk geweest. Toch heeft het rationele denken ook een keerzijde. Het risico bestaat dat het denken in ‘waarheden’ een dogma wordt waardoor je geen alternatieven meer kunt zien en daardoor de systemen en structuren waar we in leven en denken wel erg definitief worden. In het kort is hier de vraag of iets wat wij beschouwen als waarheid een waarheid is, of een benaderingswijze daartoe. Op die manier ontstaan er kunstmatige grenzen in ons denken, die bepalen hoe en wat we wel en niet ‘mogen’ en kunnen denken. Bijvoorbeeld een student in de wiskundeles, die vraagt waarom één plus één nou eigenlijk twee is. De docent beantwoordt de vraag met dat het nou eenmaal zo is, waarom het zo is doet er niet toe, de student moet gewoon begrijpen dát het zo is: het is een afspraak die we met z’n allen hebben gemaakt. Wanneer de student het niet kan of wil begrijpen, loopt hij of zij het risico gelopen dom genoemd te worden of zelfs gek, of krijgt een ander stempel zoals ADD, ADHD of autisme. Terwijl de vragen van de student uitsluitend voortkomen uit een kritische en subversieve blik, een zoektocht naar ‘waarom’ de dingen zo zijn zoals ze zijn: wordt daaraan niet voldaan, dan krijg je ‘gekke’ situaties - onbegrip.

 

Ik kan hier zelf getuigenis voor afleggen. Dit thema is te reduceren tot het (niet bestaande) hof van mijn basisschool, in het kleine Ottersum. Het is namelijk zo dat ik veel gepest ben: ik was gek, deed gek, reageerde gek, zag er gek uit en zei zo nu en dan ook wel degelijk gekke dingen: ik was de gek zonder hof op deze basisschool. Ik had het gevoel dat ik niet begrepen werd, mijn gedrag had geen positie in het gedrag van de groep. Ikzelf had echter niet het gevoel dat ik iets raars deed. Achteraf ingezien voldeed ik niet aan het denk- en handelingspatroon van mijn klasgenoten, niet omdat ik het niveau niet had, maar omdat ik sommige dingen simpelweg op een andere manier deed. Na twee jaar therapie, omdat ik ‘het’ anders deed, werd mijn blinddoek afgenomen: ik zou autisme hebben. In die jaren therapie is mij geleerd om mijn eigen onvermogen te begrijpen op een normatieve manier. In tegenstelling tot het vinden van een omgangsvorm met de ‘pestkoppen’, moest ik nu begrijpen waarom die ‘pestkoppen’ mij gepest hadden: de schuld lag in mijn ‘aangeboren’ gekkigheid, dus ik moest er iets aan doen. Dat heb ik ook gedaan, het verhaal loopt goed af, maar het toont perfect aan op welke manier ons denken is ingericht. Mijn autisme is dus een handicap, net zoals mijn dyslexie, mijn slechte zicht en slechte been en dat is allemaal mijn ‘schuld’. Ik vermijd bij officiële momenten, als een toelating voor een opleiding, dit soort dingen te noemen, uit de angst dat ik in een dispositie word geplaatst: de kleinste dingen worden geseculariseerd. Iedereen is tegen pesten, maar iedereen is ook voor normaal zijn. Deze twee kunnen nooit samengaan.

 

Dit soort dogma’s zijn exact wat de hofnar in de middeleeuwen doorbrak, mede door zijn gekheid en daarmee zijn intelligentie, maar vooral door zijn positie. Door de stelselmatige introductie van de rede verloor (en verliest) het subjectief denken zijn waardigheid aan het determinisme van de rationaliteit. Als een enkeling iets anders denkt dan de meerderheid verliest hij of zij snel haar motief aan het gewicht van de groep, maar wat nou als die enkeling wel degelijk iets interessants te zeggen heeft? Iets puurs of iets dat oprecht is? Iets wat niet vervuild is door de dogma’s en etiketten van deze tijd? Zelfs als die persoon geclassificeerd is als gek? Hoe vindt die persoon het platform voor zijn of haar gedachten nu er geen hof meer is waar hij of zij in is opgenomen? Moeten wij de verloren nar zijn hof weer bieden?

 

De hofnar is verdwenen en de gek heeft geen plaats meer in ons sociale en politieke leven. Ik probeer dan ook zo veel mogelijk mijn gekkigheden te verbergen, in angst voor de consequenties en eigenlijk is dat heel erg. Wie neemt de hofnar's functie nu op zich? Is de gek niet juist de persoon die ons af en toe op scherp kan zetten? En juist door zijn gemis aan rationeel vermogen ons laat denken over dingen waar we nooit over nadenken en waar we misschien niet eens meer over kunnen nadenken? Wat zou er gebeuren als wij die gek (in onszelf) weer wat meer toelaten? En hem of haar door middel van een knipoog de pijnlijke waarheid bloot laten geven, vanuit een denkwijze die niet direct synchroon loopt met de meerderheid van denkenden? Misschien moeten we de gekken van onze tijd niet direct wegwimpelen als nutteloos gek maar juist vieren, posities bieden als adviseurs in de politiek en het bedrijfsleven als tegenwicht op het rationeel denken, om op die manier tot alternatieve omgangs- en samenlevingsvormen te komen. Om dat te kunnen bereiken moeten we ons focussen op het hof, het verloren thuis van de hofnar: wat is dat en hoe werkt het? Is er een plek voor de nar of zouden we die opnieuw kunnen introduceren? Per slot van rekening is het hof het gene dat de hofnar heeft uigebannen.

 

‘Een gek denkt dat hij wijs is, maar een wijze man weet dat hij een gek is’

William Shakespeare

Utopia

Interview by Studio Beumer about the ideal city. In their quest to find an story about the ideal city studio beamer didn't get an answer from me: for the fact that I don't believe there's anything as the perfect city. Explicitly the polemics, which are quite evident in larger cities, between poor and rich, organised and chaotic make cities as attractive as they are. I told my story by talking about Thomas More and Descartes' ideas on cities.

Gesublimeerde Slimheid

Vroeger sprak ik regelmatig met mijn vader over problemen die toen schijnbaar erg belangrijk waren. Daar ben ik erg dankbaar voor, het heeft me bewust gemaakt en doen realiseren dat we nog hard moeten werken aan onze wereld. Toch was er altijd een gekke ondertoon. We spraken eigenlijk altijd met het idee dat het de ander is die fout zat. Mijn vader heeft mij meerdere keren verteld dat 80% van alle mensen nou eenmaal dom is en dat alle problemen daaruit voortkomen. Daarbij zei hij natuurlijk ook dat hij ons twee daar niet mee bedoelde. Ik knikte altijd instemmend mee en heb deze levensvisie met me meegedragen. Mijn vader is één van mijn grootste voorbeelden, een slimme man, maar met onze uitspraak bepleitten we eigenlijk vooral domheid. In bijna alle gesprekken die ik heb gevoerd met wie dan ook over de politiek, het sociale domein of überhaupt onze samenleving weerklonk de verwijzing naar de slecht- en domheid van de ander. Ik neem aan dat ik niet de enige ben die dit soort gesprekken heeft gevoerd. Sterker: ik durf te stellen dat iedereen die op onze wereld rondloopt weleens zo’n gesprek heeft gehad. Maar naar wie wijzen we dan? En wat bedoelen we er precies mee? Volgens onszelf zouden we zelf het probleem niet zijn, en op die manier blijft uiteindelijk niemand over om aan te wijzen, toch? Een simpel rekensommetje.

 

Even tussendoor, is er iemand bij je in de kamer terwijl je dit leest? Zo ja, zou je hem of haar kunnen vragen om een kruisje op jouw voorhoofd te tekenen? Alvast bedankt.

 

Ergens klopt wat mijn vader eigenlijk probeert te zeggen ook wel: er is nooit een individu dat volledig verantwoordelijk is voor een probleem. Het betreft altijd een groep mensen die een situatie mede mogelijk maakt, beïnvloedt door een ondoorgrondelijke, massieve hoeveelheid dingen die ons sturen, van het weer tot de dood van een onbekende aan de andere kant van de wereld. Maar wat drijft ons om te denken dat wij geen onderdeel zijn van die groep, die schijnbare tachtig procent die volgens mijn vader de oorzaak is van alle problemen? Iemand in een gevangenis vertelde me ooit (degene die het vertelde was geen gedetineerde trouwens) dat 90% van alle misdaden plaatsvindt in een fractie van een seconde, de druppel die de emmer doet overlopen, een samenkomst van omstandigheden. De groep psychopaten en veelplegers zijn maar een fractie van de totale gedetineerden, het puntje van de ijsberg. Natuurlijk hadden mijn vader, ik en alle andere gespreksgenoten de beste bedoelingen, per slot van rekening spraken we onze zorgen over een stukje van de wereld uit, maar we namen niet onze verantwoordelijkheid, die schoven we naar de ander, en de ander weer terug naar ons.

 

Eigenlijk ben ik ontzettend arrogant. Hoewel ik het niet direct uitspreek, denk ik toch dat ik bij de slimme 20% hoor, denk ik dat ik talent heb en dat ik succesvol en vooral belangrijk ben. Ik ben ook nog een blanke, westerse man – ook dat nog. Ik vraag me af hoeveel procent van de bevolking denkt dat hij of zij bij de slimste 20% hoort. Zou dat netjes 20% zijn? Misschien 40%, 60%? Of misschien zelfs 100%? In dat geval zouden we onszelf allemaal collectief slimmer vinden dan de domste 80%, die dan dus eigenlijk niet echt bestaat. 100% slimheid.

 

Oké, laten we stellen dat mijn vaders 80% regel voortkomt uit meervoudig en kwalitatief wetenschappelijk onderzoek; hoe kan het dan dat iedereen die ik spreek bij die 20% denkt te horen? Wanneer iedereen vindt dat hij of zij bij de slimste 20% hoort, ontstaat er een soort ‘state of nature’ , een ordeloze samenleving. Iedereen moet constant zijn of haar rug in de gaten houden, want misschien is er wel iemand  slimmer, wat betekent dat de persoon in kwestie plotseling bij de domme 80% hoort, wat weer betekent dat de slimste 20% alle problemen van onze samenleving kan projecteren op de domme 80%, waar je dan ineens dus wel onderdeel van uitmaakt. En dan draag je ineens verantwoordelijkheid voor alles wat er gebeurt in onze wereld, en oh, dat is pijnlijk!

 

Het schadelijke van onze stelling is niet per se dat wij zo’n 5,7 miljard mensen dom noemen, maar dat wij alle ellende in onze wereld op hen afschuiven. Hoe zijn we bovendien bij het idee gekomen dat de problemen in onze samenleving veroorzaakt zijn door de domste bevolkingsgroep? Volgens mij hebben die nog nooit toegang gehad tot de middelen en beleidsposities om echt grote problemen te veroorzaken. Natuurlijk kun je je daarnaast ook afvragen of onze ideeën over intelligentie wel zo ‘slim’ zijn, en of onze ideeën over slimheid wel zo ‘intelligent’ zijn. Zo kan de één slim zijn op een gebied waar de ander dom is en andersom, zo is eigenlijk iedereen wel een beetje dom en slim tegelijkertijd. Ondanks dat iedereen zich inmiddels wel bewust is van de verschillende vormen van intelligentie, lijkt het alsof we toch nog erg gefocust zijn op één bepaalde vorm van intelligentie.

 

 

 

Het geloof in onze eigen slimheid klinkt zo bijna als een collectieve identiteitsstoornis; misschien is juist een stukje persoonlijke onzekerheid en twijfel best wel belangrijk. Het zou in ieder geval bij mij vermijden dat ik geen disclaimer ontwikkel jegens alles wat er gebeurt in de wereld. Ik durf niet te stellen dat mijn vader zo’n zekere man is, in de positieve zin van het woord, hij heeft veel verantwoordelijkheid en twijfelt altijd bij belangrijke keuzes. Misschien is het een vorm van egoïsme of wellicht is het een angst, een onzekerheid?

 

De piramide van Maslow is inmiddels een gerenommeerd begrip en wordt te pas en te onpas ingezet. Maslow ontwikkelde de piramide om de menselijke behoeftes vorm te geven in een hiërarchie waarbij de bovenste behoeftes niet vervult kunnen worden zonder dat de onderste voldaan zijn. Zo kun je moeilijk aandachtig naar kunst kijken (zelfontplooiing) terwijl je echt heel erg nodig moet plassen (lichamelijke behoeftes). Het hoogste in de piramide van Maslow is wel genoemd ‘zelfontplooiing’ en het meest primale zijn de lichamelijke behoeftes. Later voegt hij er ook nog zelftranscendentie aan toe: het overstijgen van de zelf. Die staat helemaal bovenaan: een eervolle toevoeging aan een systeem dat ontzettend op de zelf is gefocust, het vervullen van eigen behoeften. Nou noemt Maslow in zijn piramide ook nog het stukje erkenning en zelfrespect, op de welverdiende derde plek van boven in de piramide. Volgens Maslow is erkenning dus een substantieel onderdeel op de weg naar het geluk, dat is namelijk de beloning die wij krijgen bij het vervullen van behoeftes. Mijn vader en ik streven naar geluk bij onze uitspraak, maar zijn we zo ongelukkig dat we dat op zo’n valse manier moeten doen?

 

Het lijkt alsof de mensen waarmee ik spreek allemaal blijven hangen op het voldoen van de behoefte aan erkenning, wellicht ik zelf ook: waarom zouden wij onszelf anders ten koste van de onbekende anderen ophemelen of naar Afrika gaan om voedsel uit te delen aan kinderen die we zelf hebben uitgehongerd? Maslow benadert twee vormen: één vorm is erkenning van buitenaf en de andere vorm is zelferkenning. Als we de piramide van Maslow als wet aannemen, zou je kunnen zeggen dat we geen voldoening kunnen geven aan de behoefte aan erkenning omdat de daar onder staande behoeftes niet vervuld zijn. Zouden dat de lichamelijke behoeftes zijn: veiligheid en zekerheid of sociale contacten? En hoe komt het dat die blijkbaar zo collectief onvoldaan blijven? Sprekend als een westerling en als iemand die onder de armoedegrens leeft, kan ik nog steeds zeggen dat ik mijn lichamelijke behoeftes kan voldoen. Ook zijn wij in het westen bijzonder goed in het creëren van systemen en structuren waarin we leven en het sociaal contact is meer aanwezig dan ooit tevoren. Wel geldt dat twee van deze drie aspecten aan het veranderen zijn. Zo vallen de systemen die wij ooit als definitief hebben gezien. Noem de banken en de vorm waarin wij democratie voeren, waarmee ook zekerheid opnieuw gedefinieerd moet worden. Hoe zekerheid ooit meer over vastigheid ging, gaat dit nu voornamelijk over dynamisch zijn. Ook onze samenleving verandert van een hiërarchische vorm naar een meer horizontale vorm. Wat betekent dat je geen hele concrete positie meer hebt met een overste en een mindere, maar dat verantwoordelijkheid verdeeld wordt over meerdere schouders. Ook de manier hoe wij omgaan met de socialiteit is aan het veranderen; zo zou je kunnen zeggen dat bijna iedereen in de wereld dichtbij en benaderbaar is geworden door de technologische ontwikkelingen, maar ook dat we veel meer zijn gaan handelen vanuit het concept van de autonome, ‘bijzondere’ individualiteit. Zo hadden we eerst direct contact met een ander, je keek hem of haar in de ogen, en nu worden alle uitingen gereduceerd tot een algemene en kleurloze taal, de taal van de enen en nullen. Misschien zijn we allemaal wel gewoon heel erg bang, bang voor het verliezen van de dingen in het leven die altijd heel erg vast hebben geleken.

 

De piramide van Maslow heeft wat mij betreft een grote tekortkoming, zij is uitsluitend gefocust op het vervullen van eigen behoeftes en is daarmee egocentrisch. Hoe duidelijk ook wordt aangegeven dat de ander noodzakelijk is in het vervullen van mijn eigen behoeften, wordt er niet geïmpliceerd dat ikzelf dus ook een rol moet spelen in het vervullen van de behoeften van anderen. Dus als het kopje erkenning niet voldaan wordt door anderen, omdat iedereen te druk is met het vervullen van die van zichzelf, dan zul je de lege ruimte moeten opvullen met vulmiddel: door jezelf op te hemelen bijvoorbeeld. Misschien zouden we onszelf in de toekomstige tijd wat meer moeten focussen op een nieuwe psychologie, een psychologie die niet uitsluitend op de beestigheid van de zelf is gefocust, maar op het noodzakelijke beestelijke van het collectief. Dus Maslow, als je dit leest, zou je er dan nóg een kopje bij willen voegen, genaamd empathie of altruïsme: onbaatzuchtig de ander helpen? Niet alleen voor het bestwil van de ander, maar ook voor het bestwil van onszelf. Naar mijn inzicht ergens tussen sociaal contact en erkenning? Beter te laat dan nooit.

 

 

 

Wil je nu even naar de dichtstbijzijnde spiegel lopen en even kijken naar wat je ziet? Betast het, probeer het te ontvreemden van je lichaam, scheld ernaar en betwijfel het.

 

De biologie kent een befaamd experiment waarin wordt beoordeeld of een proefdier een zelfbewustzijn heeft. Het gaat als volgt, en het is wonderbaarlijk: een onderzoeker plaatst met een stift een kruis op het voorhoofd van een dier, laten we voor het gemak even de chimpansee nemen: die worden vaak ook wel gezien als de bètaversie van de mens. De chimpansee kan niet zien wat er geplaatst is en zal er dan ook niet echt veel aandacht aan besteden. Zijn of haar medechimpansees besteden er wel tijd aan; zij zien dat er iets is veranderd aan hun soortgenootje, zij betasten het, proberen het te ontvreemden van hun maatjes’ lichaam, schelden er wellicht naar, maar betwijfelen het vooral. Vervolgens wordt de chimpansee blootgesteld aan een object dat bij menig dier een totale ‘state of nature’ zou oproepen: een spiegel. Nu komt het cruciale deel, het dier heeft twee opties. Eén: het loopt naar de spiegel, kijkt erin en probeert zijn plotselinge tweelingbroer op of achter de spiegel te vinden. Twee: het loopt naar de spiegel, kijkt er in, gaat met zijn eigen hand naar zijn eigen voorhoofd en betwijfelt het figuur dat op zijn voorhoofd staat, en herkent de tweelingbroer in de spiegel dus als zichzelf. Heeft de chimpansee voor optie twee gekozen, dan zijn de onderzoekers best wel zeker van het bestaan van een zelfbewustzijn bij deze chimpansee. Dat is heel erg mooi, want dat betekent dat het dier een idee van het ‘ik’ heeft, en volgens Frans de Waal een besef heeft van het concept ‘empathie’ : want pas als je de zelf erkent, kun je anderen erkennen, en dat is wat Hobbes ‘politiek’ noemt. Toch is dit wat mij betreft niet het meest waardevolle aan het onderzoek, er is namelijk iets wat we kunnen concluderen vóór dat we kunnen concluderen dat het dier een zelfbewustzijn heeft, namelijk dat hij empatisch is. Dat zien we niet aan het proefkonijn, maar aan zijn soortgenootjes die hem zo aandachtig en vragend inspecteerden. Eerst de ander, dan pas de ik. De chimpansee is een groepsdier, en onze hedendaagse ‘state of nature’ en erkenningsproblemen hoeven dus geen blokkade te zijn voor het geven om anderen. De evolutietheorie komt erg overeen met de ‘state of nature’ van Hobbes, en is gegrond op het idee van het recht van de sterkste: de mens is een wolf voor zijn medemens (aldus Hobbes). Maar zoals Frans de Waal en zelfs de piramide van Maslow betogen, kunnen mensen niet zonder de ander, zij zijn sterk van elkaar afhankelijk, ook vanuit de evolutie; zonder medemens geen evolutie.

 

En ik ga me niet laten vertellen dat de chimpansee hier voorloopt op de mens, ze jatten namelijk ook gewoon voedsel van elkaar, poepen overal waar ze willen en ze hebben geen flauw benul van het idee van een samenleving. Nee ik ben meer hoopvol over de mens, ik neem aan dat ik het verschil tussen de chimpansee, of welk dier dan ook, niet hoef te beargumenteren. Ongeacht onze genetische afkomst, het darwinisme of welke theorie die bepleit dat we eigenlijk dieren zijn, betekent dat niet dat we ons ook als dieren moeten gedragen. Ongelijkheid wordt altijd aangegeven door degene die het minst als gelijk wordt behandeld, niet door degene die het meest als gelijke wordt behandeld. Dus voordat ik ooit weer iemand dom noem, laat ik hem of haar dan op ze minst eerst vragen of hij of zij mij wel zo slim vindt.

Welkom in de Grotemensenwereld

Moord, fraude en genocide: zou jij hiertoe in staat zijn als machthebber? We hebben allemaal wel eens een hekel aan de machthebbers, de autoriteit. Ze doen het, mild uitgedrukt, regelmatig verkeerd en soms lijkt het alsof ze geen flauw benul hebben van de gemaakte fouten.

 

En het allerergste: luisteren naar ons, naar de mensen die ‘er’ wél verstand van hebben, nee, dat doen ze al helemaal niet. De talloze gesprekken die ik als kind meemaakte tijdens verjaardagsfeestjes van mijn ouders hebben mij altijd doen verbazen over de absurditeit van de ‘grotemensenwereld’ waar ik toentertijd nog geen deel van uit mocht maken. Nu ben ik er zelf onderdeel van en betrap ik mijzelf op hetzelfde denken.

 

Best wel plausibel, misschien zelfs terecht: die kritiek op de machthebbers. Maar is de mogelijkheid tot slecht bestuur en nog veel ergere dingen die geen benaming verdienen inherent aan de menselijke aard? Kortom: is de mogelijkheid tot totaal wanbeleid iets wat in ons allen schuilt en niet alleen in het selecte groepje machthebbers dat wij slecht vinden? Mijn meest natuurlijke reactie is er één van polemische aard: nee, zij zijn slecht, ik ben goed. Van die gedachte schrik ik. Soms vergeet ik dat achter alles een mens zit, een mens! Die ook gewoon van zijn of haar moeder houdt, de afwas moet doen en de drol van de hond opruimt. Maar blijkbaar gebeurt er iets met de mens wanneer deze wordt blootgesteld aan een bepaalde hoeveelheid macht. Is het dan zo dat die macht écht iets met je doet?

 

Clichés zijn niet voor niets vaak waar: macht doet iets met je en dat heeft het altijd en overal gedaan. Het deed iets met de oermens, het doet iets met de mensaap en het zal iets met ons doen. Alfa’s, de ‘sterkste’ mannen en vrouwen, hebben veel meer seks, kinderen en eten dan de ‘slappere’ medemensen, mensapen en oermensen en ook dat is niet zo raar. En bovendien: wie wilt dat niet? De occasionele moord die het Alfamannetje of -vrouwtje moet plegen om de machtspositie te behouden is dan misschien een verplicht kwaad om de rust en vrede te bewaren. Er wordt vaak vergeten dat je voor macht en autoriteit ook iets moet doen: je draagt de verantwoordelijkheid en autoriteit die het collectief aan je verleent. En dan heb je het als democratisch machthebber toch al snel moeilijk.

 

Voor alle duidelijkheid: dit is geen lofrede op het kwaad en ook niet op neerslachtigheid, maar ik wil het graag begrijpen. Al is het voor het contrast dat ik nodig heb om mezelf een plaats te bieden in de wereld. Om keuzes te kunnen maken.

 

Ik schrik van de afhankelijkheid die ik heb opgebouwd van de politiek. En dan heb ik het niet per se over een daadkrachtige afhankelijkheid betreft de dingen die ik doe, maar voornamelijk over mijn mentaliteit, die zich ontwikkelt tot een bij uitstek onverschillig wezen. Een onverschillig wezen dat zijn vorm vindt in een pingpongballetje tijdens een wedstrijd tussen twee schapen in wolfskleding. Of zijn het nou wolven in schaapskleding? Ik wil mijn gedachten niet meer laten leiden door schijnbare feitjes en cijfers in het nieuws. Ik wil mijn gedachten niet meer laten leiden door het idee dat ze bij een politieke kleur moeten aansluiten. Ik wil niet naar Wilders, Samson of Roemer kijken voor een oplossing. Hoe kan ik een eigen duurzame ethiek opbouwen? Moet ik wel naar de politiek kijken als ik een probleem opgelost wil hebben? Maar toch. Hoopvol blijf ik. Laat ik dat dan ook zijn. Geen wedstrijd zonder pingpongbal.

 

Daarmee wil ik niet zeggen dat wij als burger een object van onze leiders zijn, pure machinerie om een doel te halen. Het tegengestelde bewijst echter de waarheid achter het feit: zonder volk geen leider. Máár zonder leider ook geen volk. Zou dat betekenen dat we misschien wel hetzelfde doel voor ogen hebben? De vraag is dan misschien of wij ons als ‘pingpongbal’ kunnen identificeren met de pingpongspeler. Hebben wij hetzelfde doel als hij of zij voor ogen? En gesproken in de onmogelijke subjectiviteit van de pingpongbal neem ik aan dat hij toch zal kiezen voor de speler die uiteindelijk de wedstrijd wint. Helaas is dat vaak degene die het hardst kan slaan. En om even te verhelderen wat slaan in kan houden als je spreekt over politiek: de autoriteit is degene die van ons mág slaan. Macht is hetgeen dát slaat.

 

De geschiedenis wijst met een ontelbare hoeveelheid voorbeelden dat deze macht meer dan af en toe in het verkeerde keelgat schiet. Niemand wordt graag geslagen. En dan heb je het over subtiele fraudeurs tot losgeslagen dictators. Maar, als je fungeert als de katalysator van een collectief waarbij individuen eisen aan je stellen en tegelijkertijd van je verwachten dat jij het antwoord voor ze hebt, wordt de situatie al snel grimmig. Machiavelli benoemde al vroeg in de 16e eeuw, een tijd die we bruter kunnen noemen dan het nu, dat een machthebber voor het collectieve welzijn af en toe best wel wat harteloze en simpelweg gruwelijke daden moest kunnen verrichten: hij schreef er zelfs een handboek voor. Alsof alle slecht luisterende kinderen af en toe hardhandig aangepakt moeten worden.

 

Maar misschien zijn het juist deze daden die me in de grotemensenwereld plaatsen. Ook ik moest als kind af en toe hard aangepakt worden. Volwassen worden we uiteindelijk allemaal, met een beetje hulp van de tijd, maar de grotemensenwereld klinkt mij veel te definitief in de oren. Als het volwassen zijn inhoudt dat ik moet voldoen aan het format van de samenleving, en als ik moet worden ‘gevormd’ om aan dat format te voldoen, vraag ik mij af of ik mezelf niet gewoon moet onttrekken aan dat format, in een hutje op de hei. Maar toch, alles wat ooit bedacht is kan ook veranderd worden. Dus zo ook alles wat wij doen, de systemen waarin wij leven en het format waaraan wij moeten voldoen. De nieuwe generaties zijn toch de volwassenen van de toekomst? Dan zouden we toch ook de grotemensenwereld moeten kunnen veranderen?

 

Het format dat ik hierboven beschreef, met macht, een leider en de autoriteit is het politieke format waar onze samenleving al sinds haar eerste vormingsmomenten, zo’n 12.000 jaar geleden toen de eerste jagers en verzamelaars op een vaste plek gingen wonen om landbouw te bedrijven, aan voldoet. Het is een hiërarchische vorm die beter bekend staat als het paternalisme: de grote oervader die ons de weg zal tonen. Misschien is de tijd aangebroken om een meer horizontale vorm van het inrichten van onze samenleving te ontdekken? Een vorm waarin autoriteit niet in de enkelvoudigheid maar in de meervoudigheid schuilt, waarin verantwoordelijkheid door een groot aantal schouders wordt gedragen, een samenleving waarin iedereen een cruciale rol kan spelen.

 

Even los van de polemiek en de hypothetische toekomstperspectieven waar ik me af en toe onbewust achter verschuil: ik ben oprecht benieuwd hoe ik grip kan krijgen op de staat van onze samenleving. Ik vraag me af: stel dat ik in zo’n machtspositie zou belanden, dan wel als dictator of als minister-president, hoe zou ik dan regeren? En dan probeer ik realistisch te denken: zou ik het beter, hetzelfde of slechter doen? Hoe zou de samenleving eruit zien als ik de baas was? Wat zou goed en kwaad zijn? Hoe zou ik omgaan met grote hedendaagse problemen? Zou ik dezelfde of ergere fouten maken? Zou het volk mij haten?

 

Ik geloof dat ieder mens uiteindelijk op zoek is naar het goede. Niet altijd worden de goede middelen gebruikt en soms is het idee van het goede vertroebeld, maar zoals de pijnlijke gedachte die Kant benoemde, luidt: het gaat om de goede bedoeling en blijkbaar niet om de gevolgen. Kant is de grondlegger van de westerse ethiek, van wat wij als goed en kwaad zien.

 

Ik stel je graag dezelfde vraag. Stel dat jij de grote machthebber zou zijn: wat zouden de gevolgen van jouw handelen zijn? Ik ben erg benieuwd, laat het me horen.

A short interview

"People know what they do; frequently they know why they do what they do; but what they don't know is what what they do does"

     - Michel Foucault

 

In his work Eef Veldkamp researches the systems and structures that dictate life: "we live on one world with about 7.000.000.000 people, but I think we don't really know how to do that..." According to Eef this causes quite a lot of problems, but he thinks that isn't strange "we do live ón one world, but not ín one world." Therefore Eef searches for platforms which offer support to get a grip on the absurdity of our "living-together" [Dutch for society}. he researches abstract and specific systems that dictate our everyday life. He does this in a playful way by using public that doesn't know it's part of it or through 'counter-systems' - systems that are designed to designate other systems. "My way of working frequently results in strong consequences. With all certainty I try to prevent becoming an ivory tower-artist." According to the artist it's time to take responsibility for the world around us. "...and I think that art really is the method to do so." Politics, institutions and media are subjects which frequently reoccur in his work "the perfect cocktail for absurd power-situations."

 

"I am not a dictator

It's just that I have a grumpy face."

     - Augusto Pinochet

 

I asked him whether is work isn't just a bit to moralistic: "on the contrary, I prefer playing the devil's advocate - sometimes problems need contrast. Eventually I am just a donkey in a lion's skin..." But the artist prefers that to being a monkey with a golden ring [Dutch proverb], but in my opinion that's exactly the same.

Other readings

go to bottom (for more articles)